Vier lessen uit de Taiwanese Digitale Democratie


Netwerk Democratie ging in gesprek met een van de meest invloedrijke vernieuwers van de digitale democratie van vandaag: Audrey Tang. Begonnen als programmeur, werkte Tang voor de privésector, voordat ze civic hacker werd en uiteindelijk de allereerste digitale minister van Taiwan. Onder haar leiding heeft de Taiwanese regering een reeks grensverleggende ontwikkelingen op het vlak van Open Overheid geïmplementeerd waar lokale en nationale overheden over de hele wereld inspiratie in vinden.

1) Het “waarom” van de digitale democratie

Innovatie (en met name digitale innovatie) in de politieke wereld wordt soms met scepsis en argwaan bekeken. Het huidige democratische systeem in het Westen, dat typisch gebaseerd is op het principe van overleg, bestaat al decennia, zowel op lokaal als op nationaal niveau. De vraag kan dus rijzen: waarom zou je iets veranderen?

Het antwoord van Tang is eenvoudig: “Verandering is geen noodzaak; het kan worden gedaan zoals het tot nu toe is gedaan, maar het is eigenlijk niet voldoende om stukjes informatie te verstrekken en elke vier jaar mensen het gevoel te geven dat hun stem wordt gehoord in het beleidsvormingsproces.”

Volgens haar is dit de reden waarom we de opkomst van de sociaal protest en het populisme zien. “Mensen mobiliseren zich in sociale bewegingen omdat het tempo waarmee de overheid van richting veranderd niet snel genoeg is om nieuwe problemen aan te pakken.”

“De uitkomst is dat mensen het heft in eigen handen nemen, maar als een overheid qua denkwijze dichter bij de mensen wil staan, dan is het zinvol om ook naar sociale innovatie en technologie te kijken. En vervolgens een aantal van de principes uit deze ontwikkelingen in ons bestuur toe te passen, zodat het voor mensen relevant blijft”.

2) Belangrijk principe: “In burgers vertrouwen”

Op de vraag welke principes van sociale innovatie in het bestuur moeten worden opgenomen, was Tang’s antwoord wederom verrassend eenvoudig: “Het belangrijkste principe is veruit het vertrouwen in je burgers – en dat is het dan ook! Al het andere volgt daaruit. We weten dat als we onze fouten openbaar maken, met mensen in gesprek gaan en laten zien hoe we ons aanpassen in veranderende situaties, we aan geloofwaardigheid winnen, met name online”.

“Op dezelfde manier” voegt ze eraan toe “wenden we ons naar burgers wanneer we onzeker zijn of wanneer we met nieuwe problemen worden geconfronteerd, om deze problemen samen te onderzoeken”. “Door dit te blijven doen, krijgen mensen door dat als ze klagen, het ook zinvol is om een deel van die energie in de ontwikkeling van een oplossing te steken”.

De eerste stap is om burgers te vertrouwen, voegt ze eraan toe, de tweede stap is het gebruik van technologie. “Vroeger voerde je enquêtes uit of hield je inspraakbijeenkomsten, in beide gevallen is dat kostbaar – de organisatie kan er misschien vijf per jaar doen in een middelgrote gemeente en het kost veel politieke wil en kapitaal, omdat het duur en tijdrovend is.”

Online participatietools daarentegen zijn gratis. “Deze methode verlaagt de politieke kosten drastisch en waar vroeger een proces door een burgemeester of een minister moest worden gelanceerd, kan nu elk afdelingshoofd deze gesprekken starten.”

3) Consensusvorming in een gepolariseerde digitale wereld

Een van de participatie-instrumenten die in Taiwan wordt gebruikt om meningen te crowdsourcen is een open-source platform genaamd pol.is. “Je kunt het gesprek er gewoon in gooien en een paar maanden later heb je de consensus van de mensen”.

Er bestaat de misvatting dat polarisatie in digitale ruimtes wordt gecultiveerd, eigenlijk hebben deze technologieën juist de potentie om het tegenovergestelde te doen: “Sociale media richten zich te veel op verdeeldheid door het mechanisme van aandacht trekken om verkoopbare verslavingscycli in de hand te werken”, maar publieke participatie-instrumenten zijn ontworpen om mensen dichter bij elkaar te brengen. “Elke keer als we dit doen, kunnen we de mensen laten zien dat de burgers eigenlijk een community zijn, dat ze zich allemaal min of meer hetzelfde voelen over een opkomend probleem.”

“We beginnen met statistieken, ruwe gegevens en feiten; daarna vragen we de mensen hoe ze zich voelen. Geleidelijk aan ontstaan er ideeën – de beste ideeën zijn die welke betrokken zijn met de gevoelens van de mensen. Tot slot nemen we die ideeën op in de beleidsagenda”.

4) Het domino-effect van de digitale democratie in de overheid

Misschien wel het belangrijkste punt is hoe je de theorie in de praktijk kunt brengen – hoe krijg je de organisatie aan boord.

“Niemand in de overheid zou pleiten voor meer risico’s, voor langere werktijden of voor minder geloofwaardigheid – dat is ongehoord”. Door alleen te werken volgens de Pareto verbeteringsmethode (dat wil zeggen dat bij vooruitgang er niemand op achteruitgaat) werken we alleen maar verder als aan alle voorwaarden zoals meer geloofwaardigheid en minder risico’s wordt voldaan. Het is dus onmogelijk voor de administratie om meer angst, onzekerheid of twijfel te voelen over deze manier van werken; het minste wat ze kunnen zeggen is dat het ongevaarlijk is.

“Om onderdeel te worden van digitale innovatie moet je de kunst van het hardop werken onder de knie krijgen. Dit betekent dat je niet bang moet zijn om andere ministeries of andere afdelingen van de lokale overheid over je werk kennis te laten nemen”.  Aanvankelijk waren er in Taiwan maar weinig ministeries geïnteresseerd om hun werkwijze open te gooien. Dit waren de “usual suspects”: het Ministerie van Communicatie, Financiën, Binnenlandse Zaken en Cultuur. Na verloop van tijd raakten echter steeds meer ministeries geïnteresseerd.

“Dus het implementeren van digitale democratie werkt door middel van vrijwillige samenwerking. Als de voorlopers synergie ervaren, dan zijn ze al gauw bereid om meer collega’s te betrekken; als ze weinig synergie zien dan sturen ze geen mensen. Maar er is niets voor hen om kritiek op te leveren.”