Zoals dat gebruikelijk is werden er projecten gepresenteerd die gemaakt zijn met Europees geld. Eén van de voorwaarden voor dat Europese geld is doorgaans namelijk ‘disseminatie’, het presenteren aan de buitenwereld. Naar Brussel reizen om het daar te presenteren aan burgers die zelf ook in EU-projecten zitten telt ook mee. Dergelijk publiek is vaak ook geïnteresseerder dan een gewone burger omdat ze uit eigen ervaring weten hoe moeilijk het is om met project partners in verschillende lidstaten een Europees project tot een goed einde te brengen. Projectmanagers onder elkaar zeg maar.

Dit keer was het anders. Het werd, in ieder geval voor mij, voelbaar dat men juist bij eParticipatie-projecten ongeduldig begint te worden. Er worden prachtige platformen gebouwd en gelanceerd die, minstens in theorie, participatie goed kunnen faciliteren. We zijn nu al zo lang bezig met eParticipatie, maar waar zijn de succesverhalen? Als je jarenlang geld stopt in dergelijke projecten, dan moet er toch op minstens iets te leren zijn van de projecten?

We zijn nu al zo lang bezig met eParticipatie, maar waar zijn de succesverhalen?

Een terugkerende vraag was dan bijvoorbeeld ook of de platformen minstens gebruik maken van componenten die opnieuw gebruikt kunnen worden. Cynisch gezegd, als we al dat geld weggooien, laat het dan minstens software opleveren die opnieuw gebruikt kan worden. Maar nee, zelfs op dat terrein is er weinig winst. Het platform is technisch vaak niet zo spannend. Een website met een database erachter die door gebruikers gevuld wordt.

Met moeite komt zo’n platform tot leven. Vandaar ook presentaties als ‘demand driven eParticipation’ of ‘how to spread the word about eParticipation’. Als het niet lukt om spontaan eParticipatie uit te laten uitbarsten louter door het top-down ter beschikking stellen van prachtige technologie, dan maar vraag gestuurd. Waar is de burger wel voor te porren? Laten we het daar dan mee doen! Maar hoe weet de burger dat eParticipatie zoveel moois te bieden heeft? Laten we inzichtelijk maken wat er bij u in de buurt mogelijk is, dan komt u wel in beweging!

Maar nee, het was allemaal niet overtuigend. Projecten kunnen lokaal wel participatie door burgers tonen of inzichtelijk maken, maar als het circus verder trekt dan verdwijnt die burger ook weer van het toneel. Het ontbreekt de instrumenten aan relevantie en urgentie. Daarom was er ook een presentatie over het Europees Burgerinitiatief. De commissie maakte het duidelijk dat dit intern als heel spannend wordt ervaren. Terwijl andere projecten zo relevant en nuttig als mogelijk werden gepresenteerd, zo werd het Europees Burgerinitiatief juist gepresenteerd als iets dat vooral niet mag mislukken. De relevantie en het nut zit namelijk verscholen in de macht die het burgers kan geven. De Commissie moet daadwerkelijk iets doen met een burgerinitiatief als het een miljoen keer ondertekend wordt. Ondanks dat de software en de voorwaarden een groot obstakel zijn voor het succes ervan. Dit in groot contrast met de prachtige software en de afhankelijkheid van de participatie door burgers bij de andere projecten.

Drie inzichten heb ik over gehouden aan de dag:

1. Wil eParticipatie werken, dan moet het relevant zijn. Er moet een politieke cultuur zijn die de eParticipatie zelf nodig heeft. Zolang het een leuke gimmick is, dan krijg je er burgers niet voor in beweging. Daadwerkelijk wetgeving veroorzaken met een soort petitie, dat is relevant. Louter ‘meepraten’ om ‘inzicht te krijgen’ of ‘je mening te delen’ is niet genoeg.
2. Het moet niet teveel inspanning kosten. Een Europees Burgerinitiatief ondersteunen is in theorie makkelijk. Het kost een burger weinig om een handtekening te zetten. Dat is ook precies wat er mis gaat bij het Europees Burgerinitiatief. Het wordt onnodig moeilijk gemaakt. In sommige lidstaten moet je alle cijfers van je identiteitskaart correct invoeren, anders tel je niet mee.
3. Burgers die participeren moeten doorgegeven worden aan andere projecten. Een burger die begint met zogenaamde ‘light weight’ participatie moet uitgenodigd worden om verder te gaan met (relevante) ‘heavy weight’ participatie. Daarom moeten initiatieven onderling een netwerk vormen waar je als participerende burger in verstrikt kan raken omdat je eerder al een stap hebt gezet.

Mijn presentatie van die dag was een pleidooi voor ‘open’. Een open politieke cultuur, met een open agenda gebaseerd op open data en met een open einde. In contrast met de cultuur van ‘informatie is macht’, met gesloten agenda’s, waarbij geïnformeerde elites bepalen hoe technologie ingezet zal worden. Dat kan niet langer omdat de wereld onderling verknoopt is, met complexe technologie en er een geen tolerantie voor risico is. Daarom moet elke burger de burgerplicht voelen om mee te doen, omdat het om complexe kwesties gaat die je niet over kan laten aan een klein groepje. Met andere woorden, dit was een presentatie die misplaatst was. Een politieke speech die niet besteed is aan de uitvoerders van het beleid, omdat ze afhankelijk zijn van de ruimte die ze krijgen door degenen met de macht in handen. De politici.